Vruchten Bevatten Alle 
Benodigde Eiwitten

 

 

 

 

 

 

Samenvatting van deze webpagina

De meeste mensen denken dat vruchten geen hoogwaardige eiwitten bevatten, maar dat is onzin. Op deze webpagina vindt je de bewijzen hiervoor, welke gebaseerd zijn op wetenschappelijke wijze verkregen analyses van vruchten (zoals die van de USDA).

Waar het bij een voedseleiwit om draait, is of het alle verschillende aminozuren (de bouwstenen van alle eiwitten) in voldoende mate bevat; alleen dan kan je lichaam het gebruiken voor de aanmaak van nieuwe lichaamscellen. 

Wat blijkt, is dat alle vruchten hoogwaardige eiwitten bevatten. De eiwitten in sommige vruchten (paranoten) zijn zelfs van een veel betere kwaliteit dan die in vlees.

Het is echter wel zo dat de meeste vruchten weinig eiwitten bevatten, en je dus veel meer eiwitten binnen krijgt als je bijvoorbeeld vis of vlees eet. 

Toch is het zo dat al zou je alleen maar vruchten eten (maar wel inclusief paranoten), je nooit een tekort aan eiwitten zou kunnen krijgen (maar wel aan vitamine B12 en bepaalde omega-3 vetzuren bijvoorbeeld).

Eet je hoofdzakelijk vruchten, en dagelijks ook een klein beetje dierlijk voedsel, dan krijg je ruim voldoende van alle aminozuren (eiwitten) en andere voedingsstoffen binnen.

 

Als je de eiwitten in eiwitrijk voedsel op kwaliteit analyseert, blijkt dat de eiwitten in paranoten en rauwe vis van de allerhoogste kwaliteit zijn, en die in bonen, soja, pasta, zachte bolletjes en melkproducten van de slechtste kwaliteit.

 

 

 

 

 

 

Aminozuren

Wat je nodig hebt voor de aanmaak van nieuwe lichaamscellen (en het vervangen van oude), zijn niet eiwitten, maar de aminozuren die ze bevatten. Als er namelijk ook maar 1 van de 10 verschillende essentiėle aminozuren ontbreekt, zijn die eiwitten volstrekt waardeloos voor de aanmaak van nieuwe lichaamscellen. Al zou je er een paar kilo van eten, dan nog zou je er niets aan hebben (op de energie na). Strikt genomen heb je dus geen eiwitten nodig, maar aminozuren.

 

Als je bekijkt hoeveel we van elk van die 18 (essentiėle plus niet-essentiėle) aminozuren nodig hebben, is dat helemaal niet zo veel. Zijn de eiwitten die je consumeert van hoge kwaliteit, dan heb je er maar weinig van nodig.

Dit is ook te zien aan baby's die moedermelk drinken. De moedermelk voor baby's die ouder zijn dan 10 dagen, bevat slechts 1% eiwit. 

Ook fruit bevat gemiddeld ongeveer 1% eiwit, en net zo goed als dat baby's alle benodigde eiwitten uit moedermelk kunnen halen, kunnen volwassenen die eiwitten uit vruchten halen. Als je de juiste vruchten met elkaar combineert, dan heb je daar al genoeg aan om 2x zoveel van alle aminozuren binnen te krijgen als dat je er minimaal van nodig hebt. Dit omdat je behoorlijk veel fruit moet eten om puur en alleen daarvan voldoende energie binnen te krijgen.

Oftewel: consumeer je alleen maar (de juiste) vruchten, en eet je daarvan voldoende om er alle benodigde energie uit te verkrijgen, dan krijg je automatisch ook voldoende van alle benodigde aminozuren binnen

 

 

 

Een slanke vrouw van 60 kg heeft dagelijks minimaal 2000 kcal, tot maximaal 3600 kcal nodig (bij intensievere lichamelijke inspanningen). Hiervoor zou zij 2 tot 4 kilo vruchten moeten eten (als zij alleen maar vruchten eet).

Een slanke man van 80 kg heeft dagelijks minimaal 3600 kcal, tot maximaal 5300 kcal nodig (bij intensievere lichamelijke inspanningen). Hiervoor zou hij 4 tot 6 kilo vruchten moeten eten. 

Een mix aan verschillende vruchten (gelijke porties ananas, banaan, sinaasappel, mandarijntjes, perzik en avocado, plus 100 g. gedroogde vijgen, 100 g. gedroogde dadels en 35 g. paranoten) bevat meer van elk aminozuur dan we minimaal nodig hebben (bron minimaal benodigde hoeveelheden (1))

 

 

aminozuren° in een mix van vruchten

minimaal benodigd

 

aanbevolen door het FAO/WHO*

2 kilo

4 kilo

6 kilo

vrouw 

60 kg

man 

80 kg

vrouw 

60 kg

man 

80 kg

isoleucine

1013

1726

2439

504

672

600

800

leucine

1717

2980

4243

552

736

840

1120

lysine

1623

2760

3897

390

520

720

960

methionine/cystine

478

713

948

288

384

780

1040

fenylalanine/tyrosine

941

1450

1959

198

264

840

1120

threonine

978

1735

2491

324

432

420

560

tryptofaan

331

534

738

162

216

210

280

valine

1348

2491

3635

582

776

600

800

 

 

° Aminozuurwaarden zijn betrokken uit Souci, Fachmann & Kraut, Food Composition and Nutrition Tabels. Medpharm Scientific Publishers Stuttgart

 

* Globaal beveelt het FAO / WHO ongeveer 2x zoveel aminozuren aan als minimaal benodigd. Dit beeld wordt bevestigd door studies die aantoonden dat de stikstofhuishouding in balans is bij een aardappel-eiwitinname van 0,60 gram (6), respectievelijk 0,51 of 0,34 gram (7) per kilogram lichaamsgewicht. Deze getallen komen overeen met 57%, respectievelijk 48 en 32% van de door het FAO / WHO aanbevolen hoeveelheden methionine / cystine, welke in aardappelen de beperkende aminozuren zijn (in verhouding tot de menselijke aminozuurbehoeften) We hebben het hier echter over RAUW aardappeleiwit, terwijl die eiwitten uiteraard niet rauw geconsumeerd worden (aardappels zijn rauw giftig) En door aardappels te bereiden, zullen er minder beschikbare aminozuren overblijven. Zo gaat de eiwitkwaliteit van aardappeleiwit met maar liefst 70% achteruit als je aardappelschijfjes frituurt. Zelfs al zou de eiwitkwaliteit met slechts 10% achteruit gaan, dan zou je al met 29 tot 51% van de door het FAO/WHO aanbevolen hoeveelheden de stikstofhuishouding in balans kunnen houden.

 

 

 

 

 

Eiwitkwaliteit van vruchten

Als je kijkt naar de kwaliteit van de eiwitten in vruchten, dan is het opvallend hoe hoog die kwaliteit soms is. Weliswaar bevat eiwitrijk voedsel (zoals vis en vlees) meer eiwit, maar die eiwitten zijn niet noodzakelijkerwijs altijd van een betere kwaliteit. Ter vergelijking: de eiwitkwaliteit van zowel rundvlees als tonijn is 38%. (zie de op deze volgende tabel)

Hoe we die eiwitkwaliteit precies berekenen wordt verderop behandeld.

  

Eiwitkwaliteit in %

paranoten

91

perzik

46

vijgen

46

kokosnoot

32

dadels 

31

ananas°

30

walnoten

29

mandarijnen

26

hazelnoten

25

avocado

23

peer°

21

watermeloen°

12

appel

11

sinaasappel

10

banaan

9

aardbeien

9

tomaat

8

 

gemiddeld

27

 

                                            

° Van deze vruchten zijn de aminozuur waarden betrokken van de databank van het USDA. Deze waarden zijn ietwat afwijkend. Uitgaande van de gegevens van het USDA zou de eiwitkwaliteit van paranoten bijvoorbeeld niet 91 maar 86% zijn

 

 

 

 

  

De behoefte aan eiwitten

Kleine kinderen moeten nog heel veel groeien. Hoe jonger het kind, des te extremer die benodigde groei (hoeveel er bij komt in verhouding tot hoe klein ze zijn). Naarmate ze ouder worden, vlakt dat af, en dat zie je terug in hoeveel eiwit hun voedsel moet bevatten.

Je zou dus verwachten dat de allerkleinsten heel veel eiwit nodig hebben, maar dat valt enorm mee, want de moedermelk voor baby's van 2 tot 3 dagen oud bevat slechts 2,6% eiwit, wat daarna alleen maar minder wordt. Zo bevat de moedermelk voor baby's van 6 tot 10 dagen oud nog maar 1,6% eiwit, en die voor oudere baby's 1,1% eiwit:

 

Zo bekeken is het helemaal niet zo vreemd dat ons voedsel helemaal niet zoveel eiwit hoeft te bevatten; kijk maar naar de samenstelling van moedermelk.

Extra eiwitten betekent niet extra groei. Dat komt omdat je voor de groei vooral extra energie nodig hebt. Dit zien we ook terug in de prehistorie. Zo waren de Neanderthalers vooral vleeseters, maar ze waren veel kleiner dan de vroegere Homo Erectus, die meer vruchten at.

 

Zelfs de grootste gespierde mannen krijgen ruim voldoende eiwitten binnen als ze dagelijks een stukje zalm en verder alleen maar vruchten zouden eten.

Misschien wel de belangrijkste reden waarom eiwitaanbevelingen veel hoger zijn dan de daadwerkelijk benodigde hoeveelheden, is omdat men suikers en vetten veelal als 'slecht' ziet, en eiwitten niet. ("beter wat extra eiwitten dan wat extra vet of suikers")

Helaas kunnen juist vooral eiwitten levensgevaarlijk zijn.

 

 

 

 

 

Schadelijke eiwitten

Mensen zijn 'opgevoed' met het idee dat vetten en suikers slecht zijn, (ze zouden je dik en ongezond maken) en eiwitten goed (als bouwstoffen voor je spieren). Van nature zijn het echter allemaal voedingsstoffen die je keihard nodig hebt. Suikers zijn onmisbaar als brandstof voor de hersenen en je spieren, en vetten heb je met name nodig als brandstof voor je hart en je darmen. Speciale omega-3 vetten zijn daarnaast noodzakelijk als bouwstoffen voor de hersenen.

Natuurlijk zijn ook eiwitten als bouwstenen onmisbaar, maar helaas zijn eiwitten (en ook cholesterol en bepaalde vetten) erg gevoelig voor de invloed van hitte. Als je voedsel kookt, bakt, braadt of anderzijds verhit, ontstaan er stoffen die kanker kunnen veroorzaken en ook hersencellen beschadigen, wat uiteindelijk tot dementie kan leiden. Ook treden er niet-gevaarlijke beschadigingen op die ten koste gaan van de eiwitkwaliteit. Zo is de eiwitkwaliteit van bijvoorbeeld bereid varkensvlees 9 tot 11% lager dan die van rauw varkensvlees. (8) En als je aardappelschijfjes frituurt, dan wordt de eiwitkwaliteit met maar liefst 70% aangetast, door de vernietiging van vrijwel alle aanwezige methionine. (9)

 

Vandaar dat men zoveel eiwitten aanbeveelt; om het verlies aan eiwitkwaliteit te compenseren die het gevolg is van de voedselbereiding en het eten van onnatuurlijk voedsel.

Omdat eiwitten geen schone vorm van brandstof zijn (vanwege de stikstof), is het beter voor je lichaam om niet meer eiwitten te consumeren dan noodzakelijk. Zijn die eiwitten van hoge kwaliteit, dan is slechts een klein deel daarvan onbruikbaar als bouwstof. Zijn die eiwitten ook nog eens afkomstig van rauw natuurlijk voedsel, dan neem je ook geen gifstoffen op.

Om voldoende en louter 100% gezonde eiwitten binnen te krijgen hoef je alleen maar dagelijks heel veel vruchten en een klein beetje rauw dierlijk voedsel te eten (zoals eigeel en sashimi)

 

 

 

 

 

Eiwitkwaliteit van eiwitrijk voedsel

Wat betekenen de getallen in onderstaande tabel?

Vergelijk de eiwitkwaliteit van paranoten (91%) maar eens met die van melk (30%). Je kan hieruit afleiden dat één enkele gram eiwit in paranoten net zoveel onmisbare aminozuren (in de juiste verhouding) oplevert als 3 gram eiwit in melk.

 

Eiwitkwaliteit in %

paranoten

91

krab

80

escargots°

72

kippenei-wit°°°

62

paardenvlees°°

56

tong (vis)

52

noordzeegarnalen

47

heilbot

47

sesamzaad

46

zalm

45

horsmakreel

45

havervlokken

45

haring

45

kippenei-geel

44

zeekreeft

44

rivierkreeft

42

kabeljauw

43

cashewnoten

43

makreel

42

kip

42

varkensvlees

42

oesters

41

mosselen

39

vruchtenmix***

39

tarwe

39

volkorenbrood

39

forel

38

rundvlees

38

schapenvlees

38

tonijn

38

kalkoen

37

gekookte ham

37

kalfsvlees

37

gerst

37

gierst

37

rijst

37

witbrood

37

kwark

36

zonnebloempitten

35

Edammer kaas

35

maļs

35

schapenmelk

34

rogge

34

knäckebröd

32

roggebrood

32

koeienmelk, rauw

32

erwten

32

amandelen

31

Parmezaanse kaas

31

sojabonen

31

Goa bonen

31

Salami

30

lamsvlees

30

yoghurt

30

Brie

30

pasta

30

koeienmelk, gepast.

30

sojameel

28

pinda's

26

Mung bonen

25

kikkererwten

25

Lima bonen

24

witte bonen

21

Macadamia noten

21

witte bolletjes

19

linzen

18

Graham brood

13

Zwarte Gram bonen

8

gelatine

8

chips

7

 

 

 

 ° In feite is de eiwitkwaliteit van escargots nog hoger dan vermeld, maar in welke mate dit het geval is is niet bekend, daar gegevens over de aanwezige hoeveelheid cystine ontbreken. 

 

°° Paardenvlees-eiwit is in feite niet echt geschikt voor consumptie daar de aminozuursamenstelling dusdanig is dat het de beschikbaarheid van tryptofaan voor omzetting in serotonine verlaagt, wat tot depressiviteit en slapeloosheid kan leiden. Zie www.13.waisays.com. In feite is de eiwitkwaliteit van paardenvlees hoger dan vermeld, maar in welke mate dit het geval is is niet bekend, daar gegevens over de aanwezige hoeveelheid cystine ontbreken. 

 

°°° Rauw kippenei-wit is niet geschikt voor consumptie, daar het avidine and ovomucoide bevat, welke de opname van voedingsstoffen bemoeilijken, wat o.a. tot een tekort aan biotine (vitamine B8) kan leiden. Consumeer daarom alleen maar rauw eigeel, dat bovendien vitamines bevat die niet aanwezig zijn in ei-wit, zoals vitamine E en D, en omega-3 vetzuren.

 

*** De fruit-mix is een mix van 35 gram paranoten, 300 gram sinaasappel, 300 gram banaan, 200 gram avocado en 150 gram perzik of abrikoos, daar dit een ideale mix aan vitamines en mineralen bevat (ter aanvulling op wat dierlijk voedsel).

 

 

 

 

 

 

 

Hoe bereken je de kwaliteit van voedseleiwit? 

 

 

 

De eiwitkwaliteit in bovenstaande opsommingen is berekend door de beschikbaarheid van methionine en cystine te relateren aan hun evenredige aandeel (18 aminozuren in totaal) in de totale beschikbare hoeveelheid eiwit (((methionine + cystine) / 2) x (totaal eiwit / 18)).

Voorbeeld: 

100 gram paranoten bevat 13590 mg eiwit, waarvan 890 mg methionine en 480 mg cystine. 

De eiwitkwaliteit is derhalve: ((890 + 480) / 2) / (13590 / 18) = 685 / 755 = 91%.

De eiwitkwaliteit vertegenwoordigt zo de relatieve beschikbaarheid van het duo methionine / cystine.

Waar baseren we die bepalende factor van het due methionine / cystine op?

 

Het beoordelen van eiwitten

Hoe beoordeel je de kwaliteit van voedseleiwit?

Aan de hand van wat jouw lichaam er aan heeft, zou je aannemen, toch?

Mis!

Men bedacht dat je voedseleiwit moest vergelijken met kippenei-wit. Hoe meer het voedseleiwit afweek van de aminozuursamenstelling van kippenei-wit, des te lager de kwaliteit van het voedseleiwit. Als kippenei-wit nou van een perfecte aminozuursamenstelling zou zijn, overeenkomstig onze behoefte aan aminozuren, zou dit nog niet zo onlogisch zijn, maar dat is echter absoluut niet het geval.

 

Zo blijkt uit verschillende wetenschappelijke studies dat je 45% (5) tot 7% (3) méér methionine en cystine nodig hebt dan fenylalanine en tyrosine, maar kippenei-wit bevat juist 38% minder (10)

Kippenei-wit is dus absoluut niet 'een voorbeeldige leerling', en scoort soms zelfs een onvoldoende. En dus mag je er ook nooit van uit gaan dat leerlingen die andere cijfers halen, per definitie slechter scoren. 

Bijvoorbeeld: Stel dat leerling A een mooi rapport heeft met zes keer een 8 en één keer een 5, dan kan je toch niet beweren dat leerling B, die vijf keer een 8 heeft en twee keer een 7, slechter presteert, puur omdat zijn/haar cijfers op 2 punten afwijken?

Onzin dus. 

Wil je daadwerkelijk weten hoe waardevol een eiwit is voor de mens, dan moet je de aminozuursamenstelling van dat eiwit vergelijken met hoeveel we van iedere aminozuur nodig hebben, en niet met kippeneieren.  

 

Dat is nog niet zo simpel, want hoeveel je van ieder aminozuur nodig hebt hangt o.a. af van je leeftijd, je geslacht en van hoezeer je lichamelijk actief bent, en verschilt per dag.

Dit lijkt verwarrend, maar gelukkig zit er wel een patroon in. Wat doorslaggevend is, is dat, in vergelijking met onze behoefte aan de verschillende aminozuren, voor praktisch iedereen het duo methionine en cystine het minst beschikbaar is in ons voedsel.

Een ketting is zo sterk als zijn zwakste schakel. Hetzelfde geldt voor voedseleiwitten; hoe bruikbaar het gegeten eiwit is, hangt af van de mate van beschikbaarheid van de aminozuren die, gezien onze behoefte er aan, het schaarst vertegenwoordigd zijn.

 

 

 

 

De zwakste schakel

De aminozuren die, in verhouding tot onze behoefte er aan, ondervertegenwoordigd zijn in ons voedsel, bepalen de daadwerkelijke kwaliteit (bruikbaarheid) van het eiwit.

Sommige mensen denken dat dit per maaltijd bepaald wordt, maar dat is niet het geval daar ons bloed (en ook de lever en de verteringssappen) een reservoir voor aminozuren is, zodat tekorten en overschotten uit verschillende maaltijden elkaar op kunnen heffen. De meeste (re)constructiewerkzaamheden (waarvoor aminozuren nodig zijn) vinden pas 's nachts plaats.

Vandaar dat het bepalen van 'de zwakste schakel' dient te gebeuren aan de hand van al het gegeten voedsel gedurende de hele dag. 

 

Wat het meest schaarse aminozuur is dienen we te bepalen door de beschikbaarheid van de essentiėle aminozuren te relateren aan de behoefte er aan. Dus: hoeveel hebben we nodig van elk aminozuur?

 

 

De door het FAO / WHO in 1985 aanbevolen hoeveelheden aminozuren (in mg / kg lichaamsgewicht), inclusief 'veiligheidsmarge'. 

 

volwassenen

10-12 jarige kinderen

2 jarige kinderen

zuigelingen (3-4 mnd)

lysine

12

44-60

64

103

tryptofaan

3,5

3,4-4,0

12,5

17

valine

10

25-33

38

93

fenylalanine

14

22-27

69

125

leucine

14

44-45

73

161

isoleucine

10

28-30

31

70

threonine

7

28-35

37

87

methionine

13

22-27

27

58

tyrosine

14

22-27

69

125

cystine

13

22-27

27

58

 

 

 De benodigde hoeveelheden aminozuren (in mg / kg lichaamsgewicht) voor volwassen mannen volgens Rose in 1957 (3), voor volwassen vrouwen volgens Hegsted in 1963 (4), voor 10 tot 12 jaar oude kinderen volgens Nakagawa in 1963 (11) en voor zuigelingen volgens Snyderman in 1967 (2). 

 

mannen

vrouwen

10-12 jarige kinderen

zuigelingen

lysine

9

10

59

96

tryptofaan

3,2

3,1

3,7

19

valine

14

11

33

95

fenylalanine

14

13

27

125

leucine

11

13

49

153

isoleucine

10

10

28

111

threonine

6

7

34

66

methionine

14

13

27

50

tyrosine

14

13

27

90

cystine

14

13

27

50

 

 

Minimaal benodigde hoeveelheden (in mg / kg lichaamsgewicht) volgens Rose (5), met de totale dagelijks benodigde hoeveelheden tussen haakjes.

 

volwassenen

school- kinderen

 

2-4 jarige kinderen

 

lysine

6,5

42,7

(425)

103

(1600)

tryptofaan

2,7

6,7

(175)

22

(250)

valine

9,7

24

(630)

105

(900)

fenylalanine

3,3

21,3

(215)

90

(800)

leucine

9,2

40

(595)

150

(1500)

isoleucine

8,4

26,6

(545)

126

(1000)

threonine

5,4

26,6

(350)

87

(1000)

methionine

4,8

21,3

(315)

45

(800)

tyrosine

3,3

21,3

(215)

90

(800)

cystine

4,8

21,3

(315)

45

(800)

 

 

Om te kunnen bepalen wat de ' zwakste schakel' is, moeten we bovenstaande waarden indexeren, opdat we deze getallen kunnen vergelijken met de geļndexeerde aminozuursamenstelling van voedingsmiddelen.

De (naar methionine / cystine) geļndexeerde aminozuurbehoeftes, per 'methode': 

 

 

 

lysine             

valine

tyrosine

isoleucine

meth/cystine

 

tryptofaan  

fenylalanine

leucine

threonine

volwassenen

FAO / WHO

92

27

77

108

108

108

77

54

100

Rose 1957

64

23

100

100

100

79

71

43

100

Rose

135

56

202

69

69

192

175

113

100

Hegsted

77

24

85

100

100

100

77

54

100

schoolkinderen (10-12)

FAO / WHO

200

15

114

100

100

200

127

127

100

FAO / WHO

222

15

122

100

100

167

111

130

100

Nakagawa

219

14

122

100

100

181

104

126

100

Rose

200

31

113

100

100

188

125

125

100

jongere kinderen

Rose 2-4 jaar

229

49

233

200

200

333

280

193

100

FAO / WHO 2 jaar

178

29

160

216

216

278

121

150

100

FAO / WHO 3-4 mnd

237

46

141

256

256

270

115

137

100

Snyderman; zuigel.

192

38

190

250

180

306

222

132

100

 

 

 

 

Vergelijk je de (geļndexeerde) benodigde hoeveelheden met de (geļndexeerde) beschikbare hoeveelheden in ons voedsel (zie de tabel hieronder), dan blijkt overduidelijk dat het duo methionine / cystine de meest schaarse aminozuren zijn, en dus bepalend zijn voor de eiwitkwaliteit. 

 

Voor volwassenen zijn methionine en cystine altijd het meest schaars. En zelfs als niet meer aminozuren consumeert dan minimaal noodzakelijk, dan nog is dit duo in 81% van de voedingsmiddelen het meest schaars (in 19% van de gevallen is dit dan tryptofaan), en dus zijn over de gehele dag gemeten ook dan het duo methionine / cystine het meest schaars.

Voor schoolkinderen is opnieuw het duo methionine / cystine het meest schaars (afhankelijk van de methode is alleen bij 53% van de granen lysine het meest schaars). Maar ook dan is over de gehele dag gemeten het duo methionine / cystine het meest schaars, want niemand eet alleen maar granen.

Voor de jongste kinderen zijn de benodigdheden meer in balans met de beschikbare hoeveelheden (want ze moeten nog zoveel groeien), waardoor meerdere aminozuren 'beperkend' kunnen zijn. Desalnietemin is ook hier het duo methionine / cystine het meest schaars; in 57% van de gevallen. In 25% van de gevallen is dit het duo fenylalanine, in 13% van de gevallen is dit tryptofaan, en voor 5% isoleucine. Gemiddeld is dit dus echter opnieuw het duo methionine / cystine.

 

Ter illustratie: 

Alle mogelijkheden wat het meest schaarse aminozuur betreft, afhankelijk van de gebruikte 'benodigde hoeveelheden' en uitgesplitst per leeftijdsgroep. Voor volwassenen zijn alle mogelijke meest schaarse aminozuren in het rood afgedrukt, voor schoolkinderen zijn ze geel gemarkeerd, en voor de jongste kinderen zijn ze onderstreept.

 

 

 

lysine       

valine   

tyrosine

isoleucine  

meth/cystine

 

tryptofaan     

fenylalanine    

leucine   

threonine

rauwe koeienmelk

475

83

407

305

305

610

373

271

100

koeienmelk, 3,5%

473

84

418

309

309

636

382

272

100

room, 30% vet

434

80

386

289

265

631

369

262

100

Camembert

458

86

447

333

300

608

422

233

100

Edammer kaas

460

78

365

280

258

515

287

219

100

Emmentaler kaas

498

90

442

335

335

623

360

238

100

boter

450

75

425

300

300

617

375

283

100

kippenei

234

48

233

167

123

263

194

148

100

eigeel

333

74

318

203

200

418

279

259

100

lamsvlees

540

57

320

234

234

483

291

254

100

kalfsvlees

466

68

298

232

200

430

293

257

100

rundvlees

427

60

276

190

177

373

247

243

100

corned beef

422

46

251

180

168

380

246

220

100

ham

496

63

297

211

202

439

263

242

100

spek

500

63

300

211

205

442

268

242

100

leverworst

472

69

376

274

186

507

293

264

100

salami

478

50

297

218

194

428

286

244

100

kip

434

69

251

194

162

379

274

215

100

kalkoen, volwassen

435

40

238

193

70

368

253

203

100

haring

389

47

269

167

149

389

231

231

100

kabeljauw

482

56

256

198

167

396

233

228

100

koolvis

488

45

295

186

162

417

271

243

100

makreel

398

62

278

193

147

414

251

223

100

tonijn

491

67

316

233

216

482

269

262

100

forel

487

58

301

222

164

429

258

260

100

zalm

408

53

281

164

145

358

234

224

100

noordzeegarnalen

412

43

202

180

133

402

204

173

100

mosselen

363

56

284

191

191

353

219

214

100

boekweit

305

89

347

216

116

347

258

247

100*

gerst

140

90

305

230

130

675

275

210

100

havervlokken

208

79

338

325

238

471

254

221

100*

maļs

176

42

309

279

230

739

261

236

100

cornflakes

109

30

267

261

164

752

200

194

100

rijst

207

64

350

279

186

471

243

200

100

tarwe, heel graan

173

68

282

291

186

418

245

195

100*

witte bolletjes

211

78

544

489

333

844

533

356

100

roggebrood

500

83

550

583

283

783

433

417

100*

rogge, volkoren

320

60

400

370

200

530

320

290

100*

witbrood

154

62

300

323

162

454

292

192

100*

volkoren brood

143

71

257

257

157

379

229

171

100*

pasta

450

80

590

640

420

1010

530

420

100*

crackers

150

71

336

371

279

586

350

229

100*

zoete aardappel

244

104

407

293

263

311

252

252

100

aardappel

520

120

520

400

320

560

400

360

100

aard. chips

1000

200

700

625

675

875

500

525

100*

witte bonen

763

94

673

571

396

922

608

469

100

erwten

610

100

520

400

350

670

540

450

100*

erwten uit blik

651

80

447

416

369

713

411

364

100

bonen, lima

544

111

537

500

315

704

478

344

100

linzen

859

114

632

636

382

959

541

509

100

bonen, mung

591

115

439

500

242

673

385

309

100

kikkererwten

1000

80

553

1160

467

1253

633

533

100

bonen, black gram

1981

1276

1390

1495

836

1257

2067

771

100

sojabonen

328

78

303

340

216

490

307

257

100

soja meel

441

83

340

321

250

497

328

278

100

pinda's geroost.

297

86

392

416

322

549

332

230

100

 

*  Bij dit voedsel is de hoeveelheid methionine lager dan de hoeveelheid methionine, waardoor hierbij methionine het beperkende aminozuur is, wat overigens wordt opgeheven door het overige voedsel dat je op dezelfde dag eet.

 

 

Natuurlijk zijn er ook uitzonderingen. Bij voedsel met een hoge eiwitkwaliteit zijn de aanwezige hoeveelheden aminozuren veel meer uitgebalanceerd, en kunnen derhalve een heel scala aan aminozuren in bepaalde gevallen het meest schaars zijn: tryptofaan (in 29% van de gevallen), fenylalanine / tyrosine (28%), methionine / cystine (23%), threonine (12%) en lysine (8%).

Maar als je behalve dergelijk voedsel ook ander voedsel consumeert (altijd dus), is over de hele dag het duo methionine en cystine al weer het meest schaars.

 

 

lysine          

valine      

tyrosine

isoleucine   

meth/cystine

 

tryptofaan  

fenylalanine

leucine

threonine

paranoten

61

25

114

85

67

156

82

58

100

kreeft

517

31

208

174

148

429

205

221

100

oesters

351

39

254

205

161

400

263

234

100

paardenvlees

123

9

85

56

50

126

82

71

100

escargots

83

?

109

41

95

87

40

22

100

 

                                     

 

 

 

 De meest schaarse aminozuren in ons natuurlijke voedsel

 

Wat natuurlijk rauw voedsel betreft zijn is over de hele dag gemeten 

opnieuw het duo methionine / cystine het meest schaars.

 

 

lysine             

valine

tyrosine

isoleucine  

meth/cystine

 

tryptofaan  

fenylalanine

leucine

      threonine

paranoten

61

25

114

85

67

156

82

58

100

walnoten

187

72

328

281

272

485

285

230

100

hazelnoten

230

121

572

309

285

539

467

242

100

kokosnoten

213

55

312

255

170

440

284

184

100

avocado

632

90

702

453

280

804

453

486

100

perzik

149

26

200

92

103

144

67

138

100

banaan

1036

327

1036

618

382

1545

691

691

100

sinaasappel

709

127

600

364

236

582

364

364

100

mandarijn

360

40

260

250

140

180

190

110

100

appel

750

100

600

450

250

800

500

400

100

gedr. vijgen

156

44

?

133

244

156

156

133

100

gemiddeld

408

93

468

299

221

571

322

276

100

eigeel

333

74

318

203

200

418

279

259

100

makreel

398

62

278

193

147

414

251

223

100

tonijn

491

67

316

233

216

482

269

262

100

zalm

408

53

281

184

145

358

234

224

100

rundvlees

497

62

284

228

191

419

269

247

100

lamsvlees

540

57

320

234

234

483

291

254

100

kip

434

60

251

194

162

379

274

215

100

kalkoen

437

41

239

194

71

368

254

204

100

 

Alleen als je niet meer dan de minimaal benodigde hoeveelheden aminozuren zou consumeren, zou tryptofaan incidenteel het meest schaars kunnen zijn (in afwisseling met methionine/cystine)

 

 

 

 

Eiwitkwaliteit van moedermelk 

in vergelijking tot die van flessenmelk

 

In de hieropvolgende tabel worden de hoeveelheden essentiėle aminozuren in moedermelk, koeienmelk en sojamelk gerelateerd naar de behoefte aan deze aminozuren bij zuigelingen. In moedermelk blijkt fenylalanine dan het meest schaars te zijn. In koeienmelk is dit het duo methionine / cystine, en in sojamelk is dit alleen methionine.

 

 

                           lysine                     valine                   tyrosine              isoleucine                methionine

                                             tryptofaan           phenylalanine              leucine                  threonine             cystine

relatieve behoefte

bij zuigelingen

103

17

93

125

125

161

70

87

58

58

mensenmelk

76,1

19,5

71,7

47,8

49,6

115,0

68,1

55,8

21,2

21,2

koeienmelk

77,8

13,8

68,9

50,9

50,9

104,8

62,9

44,9

25,1

7,8

soja

56,3

13,3

52,2

58,4

37,1

84,2

52,8

44,2

17,2

17,5

 

 

 

Om in een oogopslag te kunnen zien dat de in rood aangegeven waarden voor aminozuren inderdaad de meest schaarse waarden vertegenwoordigen, indexeren we alle bovenvermelde waarden naar de blauw gedrukte, voor zuigelingen benodigde waarden (omdat het teveel aan methionine in cystine wordt omgezet, is bij koeienmelk 58 het gemiddelde van methionine [88,6] en cystine [27,5]). 

 

 

                           lysine                     valine                   tyrosine              isoleucine                methionine

                                             tryptofaan           phenylalanine              leucine                  threonine             cystine

mensenmelk

199,0

51,0

187,5

125

129,7

300,7

178,1

145,9

55,4

55,4

koeienmelk

274,6

48,7

243,2

179,7

179,7

370,0

222,0

158,5

88,6

27,5

soja

189,8

44,8

175,9

196,8

125,0

283,8

177,9

149,0

58

59,0

 

 

 

Vervolgens relateren we steeds, per voedingsmiddel (mensenmelk: 1427,7; koeienmelk: 1792,5 en